Alle berichten

Terugblik: Bijeenkomst werken met een beperking

Op donderdag 13 november 2025 organiseerden FilmForward en ACT Acteursbelangen een bijeenkomst over werken met een beperking in de audiovisuele sector. De bijeenkomst had als doel de ervaringen en uitdagingen van mensen met een beperking in de audiovisuele sector zichtbaar te maken en te bespreken, en om concrete vervolgacties te formuleren. De middag begon plenair met acteurs Romijn Conen, Ayşegül Karaca en Viggo Waas, Minke Scheltema van het Bartiméus fonds, producent Lisette Kelder, dramaturg Solange Husson en regisseurs Dennis Bots en Lance Hossein Tangestani die hun inzichten en ervaringen deelden in performances, presentaties en gesprekken.

Na het plenaire deel gingen alle deelnemers van de middag in kleinere groepen aan de slag om vanuit verschillende disciplines, ideeën en expertise uit te wisselen. De gesprekken waren ingedeeld op de thema’s ‘representatie en rolmodellen’, ‘toegankelijkheid van de werkomgeving’ en ‘geld, tijd en planning’, met als doel concrete vervolgacties te identificeren.

REPRESENTATIE EN ROLMODELLEN

De huidige representatie van mensen met een beperking in Nederlandse films en series is negatief, eenzijdig en vaak stereotiep. Als er al een personage met een beperking voorkomt, is diens beperking vaak het hoofdthema van het verhaal in plaats van slechts een onderdeel van een menselijk personage. Dit leidt tot een eenzijdige of negatieve weergave waarin de nadruk ligt op het ‘anders zijn’. Veel deelnemers herkennen zich hierdoor niet in de huidige beeldvorming.

Ook de toegankelijkheid van de sector is klein: er komen weinig mensen met een beperking van de opleidingen, en veel verbergen hun beperking omdat de sector anders te ontoegankelijk is. Angst, vooroordelen en onbekendheid blijven echter grote barrières, zowel bij casting als bij producenten.

Er is behoefte aan realistische en genuanceerde representatie van mensen met een beperking. Om dit te bereiken worden er meerdere suggesties gedaan. Personages met een beperking zouden meer gespeeld moeten worden door acteurs met een beperking. Deze acteurs nemen unieke kwaliteiten en kennis mee en zijn daarmee tevens een zichtbaar rolmodel. Daarnaast zou de beperking van een personage een normaal onderdeel van het karakter moeten zijn in plaats van een dramatisch element; het hoeft niet het hele verhaal te dragen. Bovendien moeten acteurs met een beperking ook ‘gewone’ rollen kunnen vervullen, zowel hoofd- als bijrollen.

Daarnaast moet inclusie al in de scenariofase beginnen. Makers moeten actief overwegen waarom een personage géén beperking zou hebben, in plaats van andersom. Ook in de castingfase moeten acteurs met een beperking meer kansen krijgen en breed worden gezien als volwaardige professionals. De castingbureaus moeten daarvoor actiever op zoek gaan en de community van acteurs met een beperking moet minder terughoudend zijn om niet het ‘vinkje’ te zijn. Daarvoor is vertrouwen en transparantie nodig over de bedoeling van projecten.

Tot slot wordt er gepleit voor meer samenwerking en meer mensen met een beperking binnen de omroepen, redacties en in crews. Meer samenwerking, in zowel de ontwikkelingsfase als tijdens het draaien, kan zorgen dat verhalen breder en authentieker worden, minder stereotypering en meer flexibiliteit. 

TOEGANKELIJKHEID VAN DE WERKOMGEVING.

Toegankelijkheid en inclusie zijn vaak nog een uitdaging. De persoonlijke ervaringen van acteurs en crew laten zien dat deze vaak onvoldoende zijn: holdings, sets, make-upstoelen en catering zijn soms niet toegankelijk, rustmomenten zijn onvoldoende ingeroosterd en er ontbreekt vaak een duidelijk aanspreekpunt op de set. Inclusie vraagt om maatwerk en vereist daarom vroegtijdig overleg tussen de verschillende departementen.

Tegelijkertijd spelen budgettaire beperkingen en gebrek aan kennis een rol. Het ontbreken van voldoende financiële middelen kan bestaande ongelijkheden in de praktijk versterken en zet betrokkenen vaak onder druk om over hun eigen grenzen heen te gaan. Extra budget blijkt bovendien moeilijk beschikbaar te krijgen. Ook kan het beoordelingsproces bij fondsen problematisch zijn, omdat beoordelaars zich vaak onvoldoende kunnen verplaatsen in de specifieke behoeften van acteurs en crew met een beperking.

Er worden meerdere voorstellen gedaan om de toegankelijkheid te verbeteren. Benoemd wordt dat niet elke beperking automatisch extra kosten of praktische hindernissen met zich meebrengt; soms is extra aandacht al voldoende. Maar voldoende financiële middelen wel essentieel.
Daarnaast is het belangrijk dat inclusie en toegankelijkheid vanaf het begin structureel worden meegenomen in het project. Dit geldt niet alleen voor de scenario-ontwikkeling, maar voor het gehele productieproces: van casting tot draaiperiode. Door hier vroegtijdig aandacht aan te besteden, kunnen mogelijke barrières tijdig worden gesignaleerd en passende oplossingen direct worden geïntegreerd.

Het aanstellen van een vast aanspreekpunt, zoals een inclusiecoördinator of toegankelijkheidsmanager, kan hierbij een grote meerwaarde hebben. Behoeften per persoon verschillen en bovendien per dag kunnen veranderen. Een toegankelijkheidsmanager kan helpen bij het inventariseren van individuele behoeften, het organiseren van begeleiders of tolken, het inplannen van rustmomenten en prikkelarme ruimtes, het verzorgen van toegankelijke catering en holdings en het coördineren van passende ondersteuning gedurende de gehele productie.

Ook wordt voorgesteld om inventarisatie- of onboardingformulieren in te voeren. Hier kunnen standaardvragen over toegankelijkheids- en ondersteuningsbehoeften worden opgenomen, vergelijkbaar met vragen over bijvoorbeeld allergieën. 

Ook cultuur en communicatie spelen een essentiële rol. Het is belangrijk dat iedereen zich veilig voelt om behoeften kenbaar te maken. In de praktijk durven veel mensen met een beperking dit niet, uit angst om opdrachten mis te lopen. Transparantie, een open werkcultuur en actieve, heldere communicatie zijn daarom onmisbaar. Bovendien kunnen aanpassingen voor toegankelijkheid de rest van de crew ook ondersteunen.

Tot slot kan het structureel delen van ervaringen en expertise voorkomen dat waardevolle kennis verloren gaat en bijdragen aan inclusievere toekomstige producties. Lessen uit eerdere projecten kunnen worden gebundeld en gedeeld via vakverenigingen of kennisbanken, aangevuld met contactgegevens van belangenorganisaties, ervaringsdeskundigen en beschikbare hulpmiddelen.

TIJD, GELD, PLANNING

Tijd en geld vormen belangrijke knelpunten en structurele uitdagingen voor inclusieve filmproductie. Werken met acteurs of crewleden met een beperking wordt door veel financiers als complex en ‘gedoe’ ervaren, mede door onwetendheid over de meerkosten en benodigde expertise. Fondsen en omroepen erkennen mensen met een beperking vaak nog niet als volwaardige minderheidsgroep binnen hun inclusiekaders. Professionals, zoals producenten en crewleden, zien veel obstakels, terwijl extra middelen en tijd essentieel zijn voor een toegankelijke productie. Ook op politiek niveau blijkt toegankelijkheid en inclusie lastig te realiseren: OCW kan alleen invloed uitoefenen op de publieke omroep en het filmfonds, niet op commerciële partijen. Bovendien is de beschikbare kennis vaak versnipperd en ontbreekt een gedeelde taal.

Het Filmfonds startte een pilot voor de financiering van inclusieve producties met de speelfilm Get Up Stand Up, om de meerkosten te onderzoeken. Hieruit bleek dat echte inclusie vraagt om expertise, extra tijd, extra mensen, rustmomenten en materiële voorzieningen.

Er worden verschillende verbeteringsvoorstellen en best practices genoemd ten aanzien van tijd, geld en planning. Wanneer het benodigde budget voor toegankelijkheid uit bestaande budgetten moet worden gehaald, kan dit leiden tot een vergroting van kansongelijkheid. 

Een vooraf beschikbaar “inclusiebudget” zou daarom aanzienlijk meer ruimte geven voor verbetering. De ervaringen maken duidelijk dat toegankelijkheid veel breder is dan alleen de fysieke bereikbaarheid van de set. Zaken zoals rusttijden, begeleiding, vervoer, prikkelarme ruimtes, geschikte toiletten en verzekeringen zijn eveneens cruciaal. Ook wordt de wens geuit om structurele middelen beschikbaar te stellen om in de crew mensen met een beperking te betrekken die vanuit eigen ervaring kunnen meedenken over toegankelijkheid. Ten aanzien van planning en budget zouden casting directors eerder in het proces moeten worden betrokken, vóórdat de budgetten al zijn vastgesteld. Zo kan in een vroeg stadium worden gekozen voor acteurs met een beperking, zeker wanneer een rol in het script een beperking beschrijft.

Als best practice wordt onder andere het Britse BFI-model genoemd: daar is inclusie structureel ingebouwd in financiering, regelgeving en casting. Ook wordt benadrukt dat inclusief werken grote positieve effecten heeft op de cultuur op de set, de samenwerking en het werkplezier. Teams ervaren meer menselijkheid, verbinding, rust en wederzijdse aandacht. Deze producties laten zien dat inclusieve werkwijzen niet alleen haalbaar, maar ook verrijkend zijn. 

Tot slot wordt benoemd dat bewustwording bij alle onderdelen van de keten noodzakelijk is, en dat kennisdeling cruciaal is om het wiel niet steeds opnieuw uit te vinden. Voorgesteld wordt een gezamenlijke “braintrust” op te richten met alle relevante stakeholders: fondsen, omroepen, producenten, ervaringsdeskundigen die beleid, praktijkervaring en structurele verandering effectief verbinden en samenwerken aan visie over inclusie op lange termijn.